(nieuw gedicht)
Ik zie de wereld
de zon brandt.
Er is een boven en beneden
en daartussen leeft het.
Als je het van heel ver van boven naar beneden bekijkt
vanaf miljarden jaren afstand,
Is dat wat hier op Aarde is heel, heel groot
daar heel, heel klein.
Ik zie leed op Aarde
door oorlog, slachtoffers door dwaze tirannen,
op plekken waar het donker het licht doet verschuiven.
Ik zie mysterie
in alles wat we niet kunnen zien,
niet kunnen ontmoeten
niet kunnen weten.
In het raadselachtige dat onder ons is
als een anker,
voor dat wat in de kern leven is, onvoorspelbaar,
niet te bevatten.
Ik zie een krachtenspel
wanneer het ene licht dooft
om het andere weer te laten schijnen.
Zo is leven
al eeuwen eeuwenlang,
wanneer het hellevuur kraters slaat en
de macht van het duister
overheerst.
Om verslagen te worden
en vanuit diepe putten
vloeiend, gloeiend nieuw vuur te laten branden,
dat eens versmolten was tot as.
